Een pleidooi voor beeldend schrijven

WrennOp 16 september j.l. werd bij de uitreiking van de gelijknamige prijzen door Marita Mathijsen de Jan Hanlo-lezing uitgesproken. Een bewerkte versie ervan verscheen in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad op vrijdag 18 september, onder de titel: Hoe ver kun je gaan? Mathijsen houdt hierin een pleidooi voor meer stijl in de taal van de wetenschap. Uiteraard doet ze dat geheel in stijl, prettig leesbaar.

Ik rijg enkele citaten aan elkaar, om zo de strekking van haar betoog weer te geven.

Marita Mathijsen“Ik wil een pleidooi houden voor het opschuiven van de grenzen van het wetenschappelijk proza. … Laat ik eerst een inventaris maken van de gemiddelijke wetenschapstekst. Het doorsnee proefschrift uit de bètahoek is in polder-Engels geschreven en bevat het verslag van een aantal experimenten. … Geen moment komt de persoon van de onderzoeker erin naar voren. … Alles is in de lijdende vorm geschreven: er werd geobserveerd, er werd ontdekt, er wordt verwacht dat. Alleen de processen en de stoffen zelf komen in de bedrijvende vorm voor: de PAHs hoopten zich op, UV vermeerderde de giftigheid. … Voor de dissertaties geldt hetzelfde. Ze beginnen doorgaans met een lang citaat, geven een hoofdvraag die duidelijk na het onderzoek gesteld is, vervolgen met geneuzel over wie er meer over het onderwerp heeft geschreven, sommen de inhoud op en verwachten dat je doorleest. … [H]et doorsnee wetenschappelijk artikel of boek van álle disciplines is in krassend proza geschreven, het mist enige demonstratie van persoonlijkheid en het gebruikt geen enkel middel om de lezer retorisch te binden. Moet dit dan? Jazeker, ook voor de wetenschap is de stijl een bewijs van beheersing, is inzet van de persoonlijkheid een bewijs van een kritische instelling en is het gebruik van retorische middelen gewoon een bewijs van vakmanschap.”

Kortom, bij het presenteren en schrijven over hun onderzoek mogen wetenschappers zich wel wat meer bedienen van stijlfiguren en zich verheffen boven het niveau van een standaardopbouw en dorre opsomming. “Zelfs de bèta-proefschriftschrijver moet allerlei beslissingen nemen die een romanschrijver ook moet nemen: over het tijdsverloop, over het point of view, over de plaats van handeling, over het aantal processen dat hij beschrijft”.

Dit laatste citaat is mede gericht tegen Ad Lagendijk, die in een recent leerboek voor beginnende wetenschappers - in het Engels: Survival guide for scientists (2008) - heeft geadviseerd, nee, heeft gewaarschuwd: “Do not write literature. Do not pretend to be Nabokov.” Lagendijk zal wel tot zijn hartekreet zijn gekomen vanwege tandenknarsende tegenvoorbeelden van auteurs die leuk of literair probeerden te doen. Want laten we eerlijk wezen: het is niet iedereen gegeven om fraai te schrijven. Het voltooien van een promotiestudie is één, het op papier vastleggen is twee, maar om dat ook nog retorisch pakkend te presenteren is een derde vaardigheid. Menig promotor zal tandenknarsend een inhoudelijk volwaardig maar stilistisch onvolkomen proefschrift hebben laten doorgaan, domweg omdat er niet meer inzat.

Wie stilistisch begaafd is in de moedertaal, is dat nog niet in een andere taal. Voor de meeste onderzoekers is schrijven in het Engels een handicap. Polder-Engels is een noodgreep, die de auteur onvermijdelijk van de schone letteren wegvoert, zoals elke native reader zal beamen. De Engelse taal lijdt onder de globalisering van de wetenschapspraktijk. Tot ca. 1800 hadden we het Latijn als universele wetenschapstaal, dat nog een dode taal heette te zijn, maar nu is het toch de taal van Nabokov c.s. die eraan moet geloven. Hoe dan ook, ik meen dat het pleidooi van Mathijsen niets anders kan betekenen dan dat de drang tot publiceren in het Engels losser zal moeten zijn. En vanuit het perspectief van de eigen taal is daar natuurlijk niets op tegen.

Mathijsen geeft in haar lezing ook voorbeelden van auteurs die hun onderzoek wel fraai hebben kunnen presenteren: Geert Mak, Frits van Oostrum, Maarten van Rossum e.a. Alle genoemden schreven in het Nederlands; hun werk werd bij gelegenheid door anderen vertaald. Maar de genoemden hebben ook gemeen dat het gevestigde namen zijn, allen 50+ van leeftijd. Mijn belangrijkste tegenwerping naar Mathijsen is dan ook dat binnen het wetenschapsbedrijf schrijfvaardigheid recht evenredig is aan ervaring. Het proefschrift, dat doorgaans aan het begin van de loopbaan staat, is niet meer dan een eerste meesterproef. Stilistisch mogen we niet te veel van een jonge promovendus verwachten. Aansporingen inzake stijl moeten ingetogen zijn, waarbij ook - in de lijn van Lagendijk - geldt dat de stijl uiteindelijk ingetogen moet blijven.

Het pleidooi van Mathijsen is me als lezer en als gebruiker van wetenschappelijke literatuur niettemin uit het hart gegrepen. Mathijsen heeft volledig recht van spreken. Haar Naar de letter: Handboek editiewetenschap is qua stijl een heuse favoriet van mij. Ongelooflijk knap hoe zo’n ogenschijnlijk dorre tak van wetenschap aanstekelijk beschreven kan worden!

——–

Reactie van Prof. Mathijsen:
“Dank u wel voor uw overwogen reactie. Natuurlijk ben ik het ermee eens dat proefschriften niet al te versierend moeten zijn – zeker niet die in de betavakken. Maar het gaat me vooral om het onpersoonlijke en het schuurpapier dat het proza daarvan kenmerkt. Ik noem niet voor niets ook de ‘soberman’ als voorbeeld van hoe het ook kan: geen fratsen, toch helder. Dat heb ik in Naar de letter ook geprobeerd.

Proefschriften in mooie stijl van jonge mensen zijn er wel degelijk. Soms misschien nog wat onevenwichtig, maar als geheel overtuigend. Uit mijn eigen stal noem ik Saskia Pieterse over Ideen van Multatuli en Lisa Kuitert.”